Snel zoeken:
De kruik, manna en de staf uit de ark

1-Koningen 8:9
Betreft: De kruik, manna en de staf uit de ark

Vraag:
a. Hoe kunnen we Hb 9: 4; 1Kn. 8: 9 en Ex. 25: 16,21; 40: 20 met elkaar rijmen?
b. Waarom zijn de kruik manna en de staf uit de ark verdwenen? En wat is de geestelijke betekenis van deze voorwerpen in de ark.

Antwoord:
a) Toen de tabernakel werd opgericht, werden in de ark de twee stenen tafelen gelegd. Blijkens Ex. 16: 33 moest Mozes een kruik nemen en daar manna in doen. Die kruik werd waarschijnlijk direct in de tent der getuigenis gelegd en moet later in de ark geplaatst zijn. Blijkens Nm. 17: 10 kwam daar later de staf van Ašron bij. Een moeilijkheid bij deze plaatsen is dat er gezegd wordt dat de kruik en de staf voor de getuigenis gelegd werd. Dat zou kunnen betekenen dat ze zich voor de ark bevonden of in de ark voor de stenen die het getuigenis genoemd werden. Dit laatste moet blijkens Hb 9: 4 het geval zijn geweest. In dat vers grijpt de schrijver terug op de begintijd en vermeldt dat in de ark de kruik, de staf en de stenen tafelen zich bevonden. I
Later moet daar verandering in zijn gekomen, want 1Kn.8: 9 zegt dat in de tijd toen Salomo de tempel bouwde er niets in de ark was dan alleen de twee stenen tafelen.

b) De kruik met manna moest eraan herinneren, dat IsraŽl in de woestijn door God met manna was gevoed. In het land at het volk van het overjarig koren en hield het manna op (Jz 5: 11,12). De kruik in de ark was echter een blijvende herinnering aan de zorg van God voor zijn volk tijdens de woestijnreis. Door de ontrouw van IsraŽl is de kruik echter verdwenen. Wanneer en waar weten we niet. Het kan zijn dat dit is gebeurd toen de ark meegenomen werd in het leger van IsraŽl en in handen viel van de Filistijnen.

De les voor ons is deze: Het manna ziet op Jezus Christus die als het levende brood van de hemel is neergedaald. Ieder die in Hem gelooft ontvangt het leven. En gedurende heel onze woestijnreis hier beneden is Hij ons voedsel. Wij nemen dat tot ons door de Bijbel te lezen en dan op te merken hoe Christus op aarde geleefd heeft en het verlossingswerk heeft volbracht..
Straks in de eeuwigheid zullen we daaraan steeds herinnerd blijven. Nooit zullen we vergeten dat Christus als mens op aarde is gekomen en het voedsel voor zijn volk is geweest. Kenmerkend is dan ook dat in Op. 2: 17 gezegd wordt, dat de overwinnaars het verborgen manna ontvangen. Het verborgen manna ziet erop dat het manna in de kruik in de ark verborgen was. Zo is voor ons Christus nu verborgen. Wij moeten dat nooit vergeten en ook in de eeuwigheid bedenken dat Hij als manna ons voedsel was.

Als gelovigen worden we niet alleen gezien als woestijnreizigers, die het manna eten, maar ook als landbewoners, namelijk als degenen, die in Christus gezet zijn in de hemelse gewesten. Als we daaraan denken dan weten we dat Christus de tarwekorrel is die in de aarde is gevallen, maar die is opgestaan en nu veel vrucht voortbrengt. Het overjarig koren van het land spreekt van Christus als de opgestane en verheerlijkte Heer in de hemelse gewesten.
We worden dus enerzijds gezien als woestijnreizigers die met manna gevoed worden, anderzijds zijn we landbewoners (het land Kanašn spreekt van de hemelse gewesten) die ons voeden met het overjarig koren.

De staf van Ašron spreekt van het hogepriesterschap dat hem toekwam. Die staf, geborgen in het Heilige der Heiligen, herinnerde het volk eraan niet in opstand te komen tegen de leidslieden die God gegeven had maar te erkennen dat God het hogepriesterschap in de lijn van Ašron had ingesteld.
Voor ons is de les dat we nooit uit het oog zullen verliezen, dat Jezus Christus onze Hogepriester is en niemand anders. Hem hebben wij te erkennen en op Hem moeten wij vertrouwen (zie Hb 2: 17,18 en 4: 14-16)
Ook die staf is door de ontrouw van IsraŽl te loor gegaan.

Het niet meer aanwezig zijn van deze voorwerpen wijst op de ontrouw van het volk. Ondanks alles bleef de wet echter wel in de ark. God bleef IsraŽl herinneren aan de heilige eisen van zijn wet en liet het niet zover komen dat ze die teniet deden. Voor ons houdt het de waarschuwing in niet ontrouw en vergeetachtig te zijn aan wie Christus is in zijn werk en in zijn persoon. En altijd te bedenken dat Gods Woord zijn kracht behoudt.

Misschien mogen we ook zeggen, dat Christus als het manna en als de staf, in de eeuwigheid niet meer in de ark gezien wordt als trekkend door de woestijn, maar dat Hij in zijn persoon ons eeuwig herinneren zal aan het feit dat Hij het manna voor zijn volk was en dat hij de hogepriester was gedurende onze woestijnreis..