Snel zoeken:
'Als wij namelijk, hoewel bekleed, niet naakt bevonden worden'. Wat houdt dat in?

2-Corinthiers 5:3
Betreft: 2 Ko 5:3

Vraag:
'Als wij namelijk, hoewel bekleed, niet naakt bevonden worden'. Wat houdt dat in?

Antwoord:
De beantwoording van deze vraag is erg moeilijk. Ik vraag u clementie met mij te hebben.
Op een enkeling na zijn alle uitleggers het erover eens dat het in 2 Ko 5: 1, 2 over het opstandingslichaam gaat. Het lichaam dat wij bij de komst van de Heer ontvangen is een 'gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig (huis), in de hemelen' (vs.1), het is 'onze woning die uit (de) hemel is' (vs.2).

N˙ zijn we nog 'in het lichaam' (vs.6, 8, 10), d.i. het tegenwoordige, sterfelijke lichaam: 'ons aardse tabernakel-huis' of 'deze tent' (vs.4). In dat verband beschrijft de apostel drie toestanden:
(a) het 'in het lichaam wonen', dus de tegenwoordige toestand, vˇˇr het ontslapen resp. de komst van de Heer;
(b) het ontkleed zijn, d.i. het lichaam afgelegd hebben bij het ontslapen; de ontlichaamde zielen van de gestorven zijn 'ontkleed' (vs.4);
(c) het overkleed zijn, d.i. de toestand na de wederkomst van de Heer, wanneer de levende gelovigen, zonder ooit (zoals de ontslapenen) ontkleed geweest te zijn, het verheerlijkt lichaam ontvangen, als het ware als een 'overjas' over het oude lichaam, waarbij dit sterfelijke oude lichaam door het onsterfelijke nieuwe lichaam 'verslonden' wordt (vs.4; vgl. 1 Ko 15: 53 v). (Over de gestorven gelovigen wordt eigenlijk niet gesproken; die worden strikt genoemen niet 'ˇverkleed', maar bij de opstanding opnieuw 'bekleed'.

Het voorgaande is niet zo moeilijk maar we komen nu bij de moeilijke uitdrukking │niet naakt bevonden worden▓in het derde vers. Dat vers staat in tussen vers 2 en 4, waarin Paulus twee wensen uitspreekt:
(I) hij verlangt ernaar het opstandingslichaam te ontvangen, en
(II) hij verlangt ernaar te mogen leven tot de komst van de Heer, zodat hij niet eerst ont kleed, maar rechtstreeks over kleed zal mogen worden.

De moeilijkheden in het derde vers zijn tweeŰrlei:
A) wat is de correcte vertaling? en
B) wat betekenen de woorden 'bekleed' en 'naakt'?

Eerst wat de vertaling betreft. Er zijn twee moeilijkheden:
A1) de eerste woorden in het Grieks kunnen vertaald worden als: 'als wij namelijk...' (of: 'als wij tenminste ...'), ˇf: 'aangezien' (of: 'opdat, in dier voege dat');
A2) het middendeel kan als volgt vertaald worden: 'als wij namelijk (of: opdat wij), bekleed zijnde, niet naakt. bevonden worden╣, of: 'als wij namelijk (of: opdat wij bekleed (en) niet naakt bevonden (zullen) worden'.

Dan nu het tweede probleem namelijk de betekenis van de woorden 'bekleed' en 'naakt'. Het volgende dient niet om het moeilijker te maken, maar bij de uitleggers vinden we diverse verklaringen en het is toch wel goed die in deze bespreking mee te nemen omdat men ermee in aanraking kan komen:

Bekleed laat men slaan op:
B1) voorzien zijn van een opstandingslichaam,
B2) het verblijf in het huidige lichaam,
B3) het geestelijk bekleed zijn in deze tijd (met de 'klederen des heils').

Naakt laat men slaan op
B1) geen opstandingslichaam ontvangen
B2) gestorven zijn, dus gheen lichaam hebbend
B3) niet bekleed zijn met het heil, dus ongelovig zijn.

Er blijken dus diverse vertalingen van het vers mogelijk te zijn en eveneens diverse betekenissen. Het zou ons kunnen gaan duizelen. In de praktijk blijkt er echter toch maar een klein aantal zinnige mogelijkheden te zijn.

Volgens mij zijn dat de volgende:
X '...als wij namelijk, bekleed zijnde [met het huidige lichaam], niet [geestelijk] naakt bevonden worden'; immers, slechts de levende gelovigen, niet de levende ongelovigen zullen bij de wederkomst overkleed worden;
Y '... als wij namelijk, [hoewel] bekleed zijnde [met een opstandingslichaam], niet [zelfs dan geestelijk] naakt bevonden worden',

Dat maakt het probleem gelukkig heel wat overzichtelijker. Het deelwoord 'zijnde' geven we in het Nederlands graag met een voegwoord weer;
Voorhoeve-vertaling leest u:
'...als wij namelijk, hoewel bekleed, niet naakt bevonden worden'. Met deze vertaling kunt u dus zowel aan uitleg X als aan uitleg Y denken. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan Y omdat 'bekleed' wat gemakkelijker lijkt aan te sluiten bij het 'overkleed' willen worden, want alleen van gelovigen kan gezegd worden. dat ze 'overkleed' worden.
De ongelovigen zullen wel 'bekleed' zijn met een opstandingslichaam, maar toch geestelijk 'naakt' zijn, doordat hun de 'klederen des heils' zullen ontbreken. Als zij voor de grote witte troon staan, zullen ze lijken op Adam zoals hij na de zondeval voor God stond: hij was weliswaar 'bekleed' met de schort van vijgebladeren, maar geestelijk gesproken was hij 'naakt', totdat God hem bekleedde met vellen van dieren.
Dat gebeurt trouwens niet met de doden: ook na hun opstanding blijven zij 'doden' en voor eeuwig gaan zij in de 'tweede dood'.
Uitleg Y heeft dus betrekking op wat ßchter de opstanding ligt, terwijl uitleg X betrekking heeft op de toestand waarin we aangetroffen worden bij de komst van de Heer.
Uitleg X en Y brengen in het betoog van de apostel ineens een heel ernstige waarschuwing.
Hij verlangt vurig naar het verheerlijkte, onsterfelijke lichaam, en schakelt daarbij alle gelovigen in door van 'wij' te spreken. In vers 3 beklemtoont hij echter, dat dit 'wij' niet de naamchristenen omvat, want zij zullen niet 'overkleed' worden met het lichaam der verheerlijking. Dit voorwaardelijke 'als (tenminste)' kennen wij ook wel uit andere gedeelten in de brieven van Paulus, bijv. Rm 8:17 en Ko 1:23, en ook bijv. in Hb 3:6,14.

Op geen enkele wijze mag uit zulke verzen een leer van 'afval der heiligen' gedestilleerd worden. Zij bevatten een ernstige waarschuwing aan valse christenen, die voor de schijn dezelfde weg als de gelovigen gaan, maar uiteindelijk toch door de mand vallen en het heerlijk einddoel nooit bereiken (vgl. 1 Ko 9:24, 10:12). Trouwens, ze bevatten ook een waarschuwing voor ons allemaal: maken we in de praktijk van ons geloofsleven wel waar dat we geen schijn- of ingebeelde christenen, maar ware christenen zijn? Hebben we voor onszelf de zekerheid dat we bekleed zijn met de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid (Js 61:10)? En kunnen anderen dat ook aan ons zien?