Snel zoeken:
Voor elke zonde een offer

Leviticus 45
Betreft: Lv. 4 en 5

Vraag:
Moest een IsraŽliet voor elke zonde een offer brengen? Hoe vaak moest hij dan wel niet naar de tempel om te offeren?!

Antwoord:
Door het onderwijs van de Heer Jezus en van de apostelen weten wij, dat uitingen van boosheid en argwaan; bitse woorden; enz. zondig en verkeerd zijn. Als we daarin misgegaan zijn, behoren we dat te belijden. Hoe vaak ga je dan niet mis, zouden we zeggen?! Toch schrijft Johannes in 1 Jh. 2: 1: 'Ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt'. We kunnen dus wel zondigen, maar we behoeven het niet te doen. Gods Geest wil ons daarbij ook helpen

Voor de Jood ging het erom dat hij een offer moest brengen als hij een uitdrukkelijk gebod of verbod van God had overtreden. Denk aan de tien geboden bijvoorbeeld. Een Jood behoefde niet te stelen, te liegen e.d. Hij kon dat echter wel en het kwam ook voor uiteraard. In zulke gevallen
moest hij een offer brengen. De gevolgen van een zonde waren dus niet gering. Dat op zichzelf al kon zonde tegengaan.
Strikt genomen zou een Jood die twee keer op een dag iemand beloog, tweemaal een offer moeten brengen. Aangenomen moet echter worden dat vrome Joden voorzichtig hun weg met God gingen (denk aan de Psalmen) en niet elke dag logen, stalen, of een andere zondige daad bedreven. Daarentegen zullen zij die het niet zo nauw namen wel vaak gezondigd hebben, maar het is te vrezen dat zulke IsraŽlieten dan ook niet nauwgezet waren in het brengen van een zond- of een schuldoffer.

Verder moeten we bedenken dat op de Grote Verzoendag er een zondoffer voor het hele volk gebracht werd. Waar IsraŽlieten persoonlijk faalden in de offerdienst, daar werden ze van
dat falen op de Grote Verzoendag gereinigd